Developmental Coordination Disorder
DCD
Sinds 1994 is DCD de internationaal gebruikte term voor kinderen met
diverse soorten motorische stoornissen. Vóór die tijd waren ze bekend
als houterige of clumsy kinderen, kinderen met Minor Neurological
Dysfunctions (MND), kinderen met een Dysfunction of Attention and Motor
Perception (DAMP) of kinderen met
dyspraxie.
Wat is DCD?
DCD staat voor Developmental Coordination Disorder, in het Nederlands
vertaald als stoornis in de ontwikkeling van de coördinatie van
bewegingen. Dit is een verzamelnaam voor een aantal kenmerken van
(licht) gestoorde motorische functies, zoals een lage spierspanning,
een grote bewegingsonrust, coördinatieproblemen of problemen met
fijnmotorische vaardigheden. Deze problemen kunnen apart voorkomen,
maar veel vaker treden ze in combinatie op. DCD lijkt voor te komen bij
5 tot 10% van de schoolgaande kinderen. Vaak zijn het jongens. In
diverse onderzoeken worden verhoudingen genoemd van 4 tot 10 jongens op
1 meisje.
De oorzaak
De naam DCD zegt niets over de achterliggende oorzaak. Het zegt meer
dat er iets met de motoriek aan de hand is, dan wat er aan de hand is.
Motorische onhandigheid wordt meestal wel beschouwd als een uiting van
een in aanleg niet optimaal ontwikkeld zenuwstelsel.
Bijkomende problemen
Een niet optimaal ontwikkeld zenuwstelsel kan ook gevolgen hebben op
andere ontwikkelingsgebieden. Zo hebben kinderen met DCD vaker dan
gemiddeld last van spraakstoornissen en problemen bij het zindelijk
worden. Daarnaast gaat DCD méér dan gemiddeld gepaard met ADHD en
leerproblemen en kampen kinderen met DCD méér dan het gemiddelde kind
met een laag zelfbeeld.
Eerste signalen
Signalen van afwijkende motoriek zijn op jonge leeftijd niet eenvoudig
te constateren. De ontwikkeling van het zenuwstelsel van jonge kinderen
met de daarbij behorende zogenaamde motorische mijlpalen kent een grote
variatie.
Bij de helft van de kinderen bij wie later DCD-problemen worden
geconstateerd, wordt dat op de peuter- en kleuterleeftijd niet
opgemerkt. Aan de andere kant kunnen op jonge leeftijd DCD-problemen
worden geconstateerd die later vanzelf verdwijnen.
Behandelen?
Hoewel een deel van de kinderen met DCD over de problemen lijkt heen te
groeien, kan onderzoek en/of behandeling wel nodig zijn. Enerzijds
omdat ernstige stoornissen met een voortschrijdend karakter (zoals een
spierziekte) moeten worden uitgesloten. Verder is het belangrijk
nauwkeurig te onderzoeken op welke terreinen de motorische problemen
het kind belemmeren in zijn functioneren. Het soort therapie hangt af
van het soort motorische probleem, de leeftijd van het kind, zijn
verstandelijke vermogens en de aanwezigheid van bijkomende stoornissen.
De aanpak
Als een kind onhandig is en geen neurologische disfuncties vertoont,
kan de motorische ontwikkeling worden gestimuleerd door extra
oefeningen. Dat kan individueel onder leiding van een
kinderfysiotherapeut, in groepstrainingen voor kinderen met DCD, maar
ook door thuis extra te spelen en te oefenen. Het kind heeft hier
natuurlijk veel aanmoediging bij nodig, omdat juist deze oefeningen hem
extra moeite kosten. Kinderen met een lage spierspanning zijn eveneens
gebaat met algemene motorische stimulatie. Bij kinderen met
neurologische disfuncties is het advies afhankelijk van het type
disfunctie. Hebben kinderen problemen in de sfeer van de coördinatie
en/of fijnmotorische vaardigheden, dan is specifieke fysiotherapie of
ergotherapie op z’n plaats.
Bij kinderen die voornamelijk last hebben van extreme bewegingsonrust
is therapie niet noodzakelijk. Het is voldoende om aan de omgeving,
ouders en leerkracht uit te leggen dat het kind niet willens en wetens
zo onrustig is en dat vermaningen weinig zin hebben omdat bij stress de
onrust alleen maar toeneemt. Beter is het om het kind af en toe zijn
onrust te laten uiten; dat kan bijvoorbeeld door hem of haar even te
laten opstaan, een boodschap te laten doen etc. Het heeft ook geen zin
om deze kinderen te berispen over een slecht handschrift. Onder invloed
van de druk zal het handschrift alleen maar slechter worden. Over de
effectiviteit van motorische training bij kinderen met DCD bestaat veel
onduidelijkheid. Is het de extra aandacht die het kind krijgt, de
spontane ontwikkeling of de specifieke training die de motoriek
verbetert?
Kenmerken van kinderen
met DCD
DCD, Developmental Co-ordination Disorder, wordt officieel vast gesteld
aan de hand van criteria uit de DSM (het internationale handboek met
beschrijving van psychiatrische stoornissen). In de DSM staat dat er
sprake is van DCD als:
A. De uitvoering van dagelijkse handelingen, welke motorische
coördinatie vereisen, is beduidend slechter dan verwacht gezien de
chronologische leeftijd van een kind en het gemeten
intelligentieniveau. Dit kan tot uiting komen in het later bereiken van
motorische mijlpalen (zoals lopen, kruipen, zitten), in het laten
vallen van voorwerpen, ‘houterigheid’, slechte prestaties bij sport, of
een slecht handschrift.
B. De aandoening zoals vermeld onder criterium A beïnvloedt zichtbaar
de schoolse prestaties of algemene dagelijkse activiteiten.
C. De aandoening is niet het gevolg van een medische conditie (zoals
cerebrale parese [verlamming] of spierdystrofie), en voldoet niet aan
de criteria van een Pervasieve Ontwikkelingsstoornis (PDD-NOS).
D. Als er sprake is van mentale retardatie, moeten de motorische
problemen ernstiger zijn dan de problemen die normaal gesproken bij
mentale retardatie voorkomen.

